Symposium 28 januari 2016

Symposium Autonomie en/of barmhartigheid. Medische beslissingen rond het levenseinde aan de hand van romans en films. 28 februari 2016.

De inleidingen van dit symposium zullen op deze plek ter beschikking worden gesteld.

Het betreft de lezingen van Wouter Schrover, Bert Keizer, Cees Hertogh en Kristien Hemmerechts. Tevens wordt hier een tekst van Isabelle Rossaert ter beschikking gesteld die onderdeel was van de workshop die zij samen met Cees Hertogh gaf.

 

Lezing Wouter Schrover

U kunt hier de lezing van Wouter Schrover downloaden. De powerpoint die bij deze lezing hoort vindt u hier.

 

Kortverhaal Isabelle Rossaert

Isabelle Rossaert, auteur van de roman Dat is wat ik bemin, schreef speciaal voor het symposium Autonomie en/of barmhartigheid een kortverhaal. Het kortverhaal vormt een literair antwoord op de film Amour van Michael Haneke, en diende als aanzet voor een workshop rond het thema barmhartigheid.

U kunt het verhaal hier downloaden.

Meer informatie over Isabelle Rossaert is te vinden op http://www.isabellerossaert.wordpress.com en http://www.facebook.com/Isabelleschrijft

 

Lezing Bert Keizer

Zodra de tekst ontvangen is wordt de lezing geplaatst.

 

Lezing Cees Hertogh

Zodra de tekst ontvangen is wordt de lezing geplaatst.

 

Lezing Kristien Hemmerechts

Deze lezing van Kristien Hemmerechts werd op 28 januari 2016 uitgesproken op het symposium Autonomie en/of barmhartigheid. Medische beslissingen rond het levenseinde aan de hand van romans en films. Het symposium werd gehouden op de Vrije Universiteit.
Kristien Hemmerechts verving Joost Zwagerman, die deze lezing oorspronkelijk zou houden.


Het verlangen om er niet te zijn

Kristien Hemmerechts

Het is geen dag om zelfmoord te plegen. Dat is de zin die bij me opkomt wanneer ik aan mijn laptop ga zitten om deze lezing uit te tikken. Ik heb een pak notities, en die liggen naast me, maar de strakke blauwe lucht en het heldere licht maken ze op de een of andere manier irrelevant. Er is alleen nu, de heerlijkheid van al dat licht. Laat het eeuwig duren.
Mijn ouders hebben jaren geleden een huisje gekocht aan de middellandse zee in Frankrijk. Je kunt er over een rotspad ver wandelen van baai naar baai. Wanneer de zon begint te zakken en het tijd is om huiswaarts te keren, is het licht op zijn mooist: gouden, dansend op de zee, sprankelend, in sterretjes uit elkaar spattend. Ik kan me niet voorstellen dat er al ooit een mens zich daar van de rotsen heeft gestort, en als hij of zij het heeft gedaan, ben ik er zeker van dat een nimf uit het water is gerezen om dat lichaam op te vangen en naar het strand te dragen.
    Wij zijn kinderen van het licht, gedoemd om ook het duister te leren verdragen. Sommigen van ons slagen daar nooit in.  Overweldigd door het duister, slaan ze ervoor op de vlucht en komen in dieper duisternis terecht.
    Ik begrijp mensen niet goed die boos zijn op zelfmoordenaars. Ik voel altijd diep medelijden met de man of vrouw die zich van het leven heeft beroofd. Ik zou de wijzers van de klok willen kunnen terugdraaien om mijn armen om hem of haar te slaan en hem of haar vast te houden tot de crisis achter de rug is. We zouden samen diep in- en uitademen, ik zou fluisteren: rustig, rustig, laat je gaan, voel mijn lichaam, we ademen samen, je bent niet alleen.
Mama Kristien.
De wereld heeft meer mama’s nodig.

De moeder van mijn man heeft zelfmoord gepleegd. Ik heb haar nooit gekend en ze is dus nooit mijn schoonmoeder geweest. Ik denk niet dat je postuum iemands schoonmoeder kunt worden. Na het ontbijt is ze naar het kanaal gefietst. Het was twee april en koud. Iedereen was opgelucht dat ze het niet een dag eerder, op 1 april, had gedaan. Haar zelfmoord was ondraaglijk genoeg, zonder dat die ook nog eens een aprilgrap zou lijken te zijn. Hoewel ze kon zwemmen is ze snel verdronken. Altijd wanneer ik iets lees over mensen die op één januari in ijskoud water een duik nemen – ijsberen worden ze genoemd, vraag ik me af hoe het komt dat zij het overleven, en de moeder van mijn man niet.
Voor zo ver ik weet had ze geen stenen in haar jaszakken gestopt, een maatregel die Virginia Woolf wel had getroffen.
De vrouw in het huis op de oever heeft haar vanuit het raam van haar keuken opgemerkt, maar ze heeft haar niet in het water zien stappen of springen. Een week eerder had ze haar daar ook al gezien. Misschien kwam ze toen de plek verkennen, of ontbrak het haar aan moed.
Ik ken de plek goed. Ook ik heb hem vaak verkend, niet om het water te peilen, wel in de hoop te voelen wat zij toen voelde. Aan de andere kant van de brug staat een typisch Belgisch tearoomachtig restaurant. Ondanks haar zelfmoord gaan mijn man en ik er soms eten. Er zijn nu eenmaal niet zo veel restaurants in die streek. Soms varen we er met een elektrisch bootje heen, en dan klauteren we de oever op min of meer op de plek waar zij in het water moet gewandeld of gestapt of gesprongen zijn. Ik weet niet of mijn man dan aan haar denkt; ik vermoed van wel. Hij heeft niet graag dat ik het erover heb; het is zíjn moeder en háár zelfmoord. Ik heb het gevoel dat die zelfmoord in zijn lijf opgeslagen ligt, al is het een overdrijving hem getraumatiseerd te noemen.
Ook haar zou ik met terugwerkende kracht willen kunnen redden, al was zij misschien reddeloos. Ik denk niet dat ze dood wilde zijn, maar ze kon niet langer leven met het duister, de pijn, de wanhoop die haar bedrukten. Als een molensteen hingen die rond haar nek, en die molensteen heeft ze die ochtend in het water gegooid. Weg.

Ik heb ooit een boek gemaakt over en in samenwerking met een vrouw die niet langer wilde leven. Hoe beter ik Ann leerde kennen, zo heette ze en zo heette ook het boek, hoe meer ik besefte dat ze wilde leven. Haar ziekte – ze leed aan anorexia – maakte haar leven ondraaglijk.
In Door eigen hand citeert Joost Zwagerman een uitspraak van Rogi Wieg: ‘De zelfmoordenaar wil niet dood, hij wil een ander leven.’ Ik weet niet of het voor elke zelfmoordenaar geldt, maar voor haar klopte het in ieder geval wél. Het boek was een ultieme poging om het lot om te buigen. In eerste instantie leek de poging geslaagd, maar na vier jaar bleek de ziekte sterker dan haar levensdrang. ‘Je hebt me vier extra jaren gegeven’, heeft ze me gezegd de laatste keer dat we elkaar zagen. Dat was kort voor de dag die geprikt was voor de euthanasie.

‘Als je iemand je hart geeft, en hij sterft, nemen ze dat dan mee de dood in? Moet je voor de rest van je leven verder met een leegte in je lichaam die niet meer gevuld kan worden?’
    Een studente creatief schrijven van me heeft die zinnen geschreven. Hij staat in een hartverscheurende tekst over haar leven na de zelfmoord van haar vriend. Ze waren zeven jaar samen, en die zeven jaar waren niet gemakkelijk vanwege zijn donkere stemmingen. Desondanks voelt ze zich nu leeg en verloren, én ze wordt gekweld door de vraag of ze hem niet zou moeten volgen in de dood. Ze is intussen zo ver dat ze weet dat ze dat niet zal doen. Gelukkig maar.

Een andere studente heeft dit geschreven: ‘Ik ben aan het vervagen. Straks ben ik een schim. Een spook. Een geest die soms iets fluistert in je oor. Je ziet me niet meer. Ik ben de laaiende wind. (…)  Kan je verdwijnen en toch blijven bestaan?’
    Ik weet niet welke ervaringen achter deze zinnen schuilgaan, ik heb het haar niet gevraagd. Dat is de afspraak: ze schrijven wat ze willen; de feedback is louter van stilistische aard. Het is niet altijd even gemakkelijk om dat principe in de praktijk vol te houden.
De zinnen komen uit een monoloog die een medestudent moest brengen op wat wij een toonmoment noemen. De medestudente had ervoor gekozen om op een lage vensterbank te gaan zitten achter een zwaar zwart gordijn. Alleen haar voeten staken eronder uit. Die bewoog ze af en toe, bij wijze van teken van leven, en ook het gordijn bewoog. Het zijn eerstejaarsstudenten, ze zoeken en tasten een beetje met wisselend resultaat. Naar het einde van de monoloog trok ze het gordijn omhoog en daar verscheen haar guitig lachende gezicht. Dat was een opluchting.
    Kan je verdwijnen en toch blijven bestaan?
    Ze bedoelde niet: kan je ergens op een onbewoond eiland gaan wonen of in een spelonk een nest bouwen? Ze bedoelde: kun je onzichtbaar zijn?
    Ik dacht: misschien is dat de toestand waarnaar zelfmoordenaars verlangen.
    In 1897 publiceerde H.G. Wells zijn beroemde novelle The Invisible Man, een roman die vele navolgers inspireerde en ook herhaaldelijk verfilmd werd. Er zijn talloze verhalen waarin iemand een drankje drinkt en onzichtbaar wordt, of een cape omslaat met hetzelfde resultaat.
    Vanwaar dit verlangen naar onzichtbaarheid? Om ongestoord je gangen te kunnen gaan en bijvoorbeeld ongestraft misdrijven te begaan? Dat zal wel de meest voor de hand liggende verklaring zijn, maar misschien willen de would-be onzichtbaren ontsnappen aan de blik van de ander.
Die blik kan ons voeden en voedt ons ook en maakt ons tot wie we zijn. Iemand vertelde me ooit dat hij wist dat hij niet knap was, maar zijn moeder had vaak het tegendeel beweerd en hem daarbij zo liefdevol aangekeken dat hij die blik en die overtuiging had opgeslagen. Diep in zichzelf geloofde hij háár, en niet de spiegel.
    Dat is de belangrijkste taak van ouders: met verliefde ogen naar hun kinderen kijken.
    Stel je voor dat een vader of een moeder niet naar zijn kind zou kijken.
Het is een reflex: een baby wordt in je armen gelegd en je kijkt hem of haar in de ogen en je zegt lieve woordjes. Zo maak je van hem of haar een mensje en niet gewoon een hompje vlees.
    En toch zijn er kinderen die later zullen verlangen naar onzichtbaarheid, ook wanneer er ooit liefdevol naar hen is gekeken. Zij willen niet meer gezien worden. Hoe komt dat? Ligt dat aan de anderen of ligt dan aan henzelf? Of aan allebei?

Ik sta hier vandaag in zekere zin als een onzichtbare. Ik sta hier wel, maar eigenlijk had Joost Zwagerman hier moeten staan. Hem was gevraagd deze lezing te houden over het verlangen om er niet te zijn. Die titel heeft hij erg letterlijk opgevat.
    Ik hoop dat het u verheugt dat ik hier wél voor u verschijn. Stel u voor dat ook ik intussen de daad bij het woord had gevoegd, of aan een natuurlijke doodsoorzaak was bezweken. Ik behoor tot de ongetwijfeld grote groep mensen die met wisselende regelmaat door zelfmoordgedachten worden gekweld en die het leven niet zien als een geschenk maar als een opdracht. Dat laatste veroorzaakt veel stress en aan die stress wil je weleens ontsnappen. Ik zou een dikkere huid best wel handig vinden. Helaas kun je die niet via Amazon bestellen. En ja, ik zou wel willen kunnen onzichtbaar zijn, niet nu op dit moment, maar bijvoorbeeld als ik naar de supermarkt ga, of in de trein zit naar Brussel.
Een vrouw die al vijftien jaar groepsreizen begeleidt zei me dat ze het telkens opnieuw met al die reislustigen leuk vindt. Ik vind het leuk, al die mensen, al die ontmoetingen. Ik vind het gewoonweg leuk.
    Dat vond ik leuk voor haar. Ik vind het niet altijd leuk. Het kost me energie, en die heb ik niet altijd. Dus ja, ik zou wel willen kunnen een cape aantrekken die me onzichtbaar maakt en zo tussen mensen door glippen naar de plekken waar ik moet zijn. Even geen rekening hoeven te houden met anderen. Even niet door hen beoordeeld worden. Give me a break. Deja me en paz.
    Of en hoe het zat voor Joost weet ik niet. Ik weet één ding: het is niet goed voor het gemoed om zich al te veel over zelfmoord te buigen. Een mens krijgt daar sombere gedachten van. Ik ben een ervaringsdeskundige, ik heb deze lezing geschreven en ik kan u verzekeren: vrolijk ben ik er niet van geworden. Want natuurlijk is het leven zinloos, en natuurlijk kun je er beter meteen een eind aan maken. Wanneer je dat besef verdringt, kan het leven best prettig zijn. Lang leve de oppervlakkigheid!
    We weten dat het onderwerp Joost Zwagerman bezighield. Hij heeft er veelvuldig over gepraat én geschreven. Het is niet toevallig dat hij de eerste keus was voor deze lezing. Nu eens benaderde hij het onderwerp met de nieuwsgierigheid van de wetenschapper die alle facetten in kaart wil brengen, dan weer met de bevlogenheid van de therapeut van het zelfmoordpreventieteam. Joost Zwagerman was ervan overtuigd dat als je maar lang genoeg op een kandidaat zelfmoordenaar inpraatte, hij of zij uiteindelijk die plannen zou wegbergen. Iemand zei me onlangs dat je hem kon vergelijken met de homofoob die uiteindelijk zelf een homoseksueel blijkt te zijn. Het gebeurt ook dat mensen die ten strijde trekken tegen kinderpornografie zelf een collectie in huis blijken te hebben. Die rare gespletenheid waartoe mensen in staat zijn zal wel de enige mogelijke verklaring zijn voor de onthutsende tegenstrijdigheid van Joosts zelfmoord.
    Voor mij was die niet zo tegenstrijdig. Enkele maanden voor zijn dood stuurde hij me een gedicht waaruit een heftig besef van zijn nakende dood spreekt. Hij en ik hadden elkaar na jaren toevallig ontmoet na afloop van een literair festival in Rotterdam. We waren allebei onderweg naar onze auto, we kruisten elkaar en besloten even bij te praten. Ik heb nauwelijks iets gezegd, ik ben ook niet zo’n prater, maar Joost vertelde en vertelde. Achteraf is me gezegd dat zijn versie van de gebeurtenissen in de laatste jaren van zijn leven sterk afweek van de realiteit. En dat het bijzonder pijnlijk is voor de betrokken personen dat hij die leugens verkondigde. Ik wil me daar niet over uitspreken. Ik heb het niet onderzocht en ik ben ook niet van plan dat te doen. Wat de waarheid ook moge zijn, Joost ervoer het leven als fundamenteel onfair. Er was hem een groot onrecht aangedaan, en dat onrecht bleef maar duren. Het stapelde zich op en hij slaagde er niet in eraan te ontsnappen. Hij voelde zich opgejaagd wild. Maar hij verzekerde me ook dat hij gelukkig was met zijn nieuwe geliefde. Die dingen kunnen naast elkaar bestaan.
    De volgende dag mailde hij me met excuses. Had hij niet te veel gezeurd? Was hij niet te larmoyant geweest? Hij herhaalde zijn wanhoop: ‘Soms weet ik echt niet meer wat ik nog moet doen en WAAROM ik de dingen nog zou moeten of willen doen.’ Ik stelde hem gerust, waarna hij me een gedicht stuurde. Ik lees het voor:

Nu

Kijk, er is geen toekomst en
verleden meer. Als uit een helikopter
ben je zonder parachute bruut
uit alle tijdbeleving weggeduwd
en daal je loodrecht op de vlakte af
van het noodlottig heden: nog even
en een peloton staat tegenover je
dat een spervuur op je richt
van verzamelde geluksmomenten,
maar: je beleeft ze al niet meer.
Je bent al vastgenageld in het aller-
laatste vaccuümgezogen déja vu
dat grijnzend naar het niets verwijst.
Je leven trekt niét als een film
aan je voorbij. Nooit was je in
of van die film. Altijd was je
de afwezige afwezige. Iets of iemand
zoomt in op het eeuwigdurend nu.  
Niets ben je, je hoort nergens bij.
 
Kijk, het vlakke land hieronder je,
hier recht beneden, het stijgt al
triomferend naar je op, als een natte,
gladde vloer waarover in een ander
leven God fataal is uitgegleden.
Kijk, het heden zet een beulskap op
en komt als in Formule 1-race
brullend op je afgereden. Nog éen
ronde die toekomst noch verleden
kent, en dan het virulente vlaggen
bij de finish: de winnaar is al residu.
Je bent uit al het zijn gegleden, je
moment is hier, het moment is nu.  

‘Niets ben je, je hoort nergens bij.’’
    Is de blik van de ander daarom ondraaglijk? Omdat je moet doen alsof? Omdat je een masker moet dragen?

‘Het moment is nu.’
    Is dat het moment van zijn zelfmoord? Of van zijn dood? Het moment waarop hij definitief uit het zijn, het leven wordt geschopt?
In het gedicht stelt hij niet zelf de handeling. Het overkomt hem, overspoelt hem. Hij is weerloos en kan het niet afwenden.

Niets van dat alles zei ik hem in mijn reactie. Ik schreef: ‘Sterk! Een 10 van de juf!’
Waarop hij: ‘Een 10!  Wow!!!!!  Goh, daar doe ik het voor, Kristien. Dan ga ik m nu ook officieel inzenden. Ik heb inmiddels meer dan 50 gedichten geschreven over God, Zijn rot streken, en wat dies meer zij.  Uit die reeks komt dit gedicht.  Het is het meest intieme dat ik ooit durfde te schrijven…      Mijn roots en mijn kern liggen bij de poëzie, maar dat weet je misschien nog wel uit de 'En nu serieus'-tijd, 1991…’

Het kan eigenaardig lijken dat ik niet in mijn auto ben gestapt en naar hem ben gereden om hem te troosten, maar ik wist dat Joost niet in eenzaamheid zat te verkommeren. Hij was omringd door mensen die van hem hielden en die naar hem luisterden. Hij had mij niet nodig. Hij was blij met die tien van me. Ik reageerde niet op de wanhoopskreet, wel op het gedicht. Ik las het als een tekst van een schrijver, het was ook de tekst van een schrijver, en die wanhoop was uiteindelijk materiaal, vertelstof, schrijfstof. Als schrijver herkende ik dat wel. Tegelijkertijd was ik niet echt verbaasd toen het nieuws van zijn zelfmoord me bereikte. Mijn man belde me terwijl ik van mijn hotel in Hilversum naar de studio liep. Ik was daar de centrale gast in een programma dat live werd uitgezonden tussen middernacht en één uur ’s morgens. En uiteraard werd me om een reactie gevraagd. Veel meer dan wat gestamel is er niet uit mijn mond gekomen. Ik kon echt niets zinnigs uitbrengen.

Joost voelde zich gedoemd door de zelfmoordpoging van zijn vader. Die is door een toevallige samenloop van omstandigheden mislukt.  Het was niet de kreet om hulp van iemand die wist dat hij tijdig zou worden gevonden. De poging was zo ernstig dat Joost naar eigen zeggen zich beschouwde als het kind van een zelfmoordenaar. Hij zag zichzelf als een statistiek. In Door eigen hand schrijft hij het volgende: ‘Kinderen van wie een van de ouders zelfmoord pleegde besluiten zeventien keer vaker dan “normaal” eveneens een einde aan hun leven te maken.’
    Door eigen hand is een verbijsterend boek in het licht van Joosts zelfmoord. Hij is vooral begaan met het lot van de nabestaanden. Dat is niet zo verwonderlijk, hij beschouwde zichzelf als een nabestaande, maar vandaag zijn wíj ons bewust van zíjn nabestaanden, van de mensen die hij achterlaat, van hun ontreddering en verdriet. Ik citeer twee zinnen, maar ik zou eigenlijk het hele boekje kunnen citeren: ‘Het idee voor het leven “gestempeld” te zijn keert meer dan eens terug in de vraaggesprekken met nabestaanden van zelfmoordenaars in het boek Loden last van journalist Bram Hulzebos en psychiater Bram Bakker.’ En: ‘Voor die nabestaanden kan het belangrijk zijn om enig houvast te hebben aan een bepaalde mate van onbegrip.’ Over zijn kinderen rept hij met geen woord. Hij schrijft niet: ik ben misschien wel gedoemd, maar toch kan ik het niet doen vanwege mijn kinderen. Hij schrijft als een alleenstaande, kinderloze man.

Door eigen hand heeft mij getroost vanwege de openhartigheid waarmee met name nabestaanden Arthur Japin en Renate Dorrestein over hun verdriet praten. Japin heeft het over ‘een enorme poel van verdriet die zich ergens schuilhoudt’. Dorrestein heeft het over het gevoel geamputeerd te zijn dat haar nog altijd onverhoeds overvalt. Waarom troost hun verdriet me? Omdat ik het herken en omdat ik hun openhartigheid ervaar als toestemming. Je mag verdriet hebben, je hoeft niet altijd blij en opgewekt en gelukkig te zijn, je bent niet mislukt als je verdriet hebt, je kunt een geslaagd leven leiden en toch verdriet hebben. Verdriet krijgt een plek. Mensen zouden misschien vaker moeten praten over hun verdriet en hun frustraties en ergernissen. Il faut vider son sac, zei mijn vadertje zaliger. We zwijgen erover uit angst als zielig te worden bestempeld, als een sukkeltje. En we willen niet zeuren, we willen het positieve zien.
Japin zegt ook: ‘Schrijven is de geaccepteerde vorm van schuilen in je binnenwereld.’ Ook dat is heel herkenbaar.

Tot slot wil ik u nog een paar van mijn privé inzichten over zelfmoord meegeven. Het zijn geen wetenschappelijk getoetste waarheden, ik vrees dat die niet bestaan. Het zijn inzichten gebaseerd op wat ik heb gezien, gehoord, gelezen, ervaren. Hier komen ze.

1.    Zelfmoord is het botvieren op jezelf van de agressie/woede die je jegens anderen voelt; eigenlijk wil je de ander uitschakelen, maar dat mag niet, dus tref je jezelf.

2.    Mijn buurman, een uroloog, zegt: je hoeft geen zelfmoord te plegen; je gaat vanzelf dood.

3.    Het beste antidotum voor zelfmoord: neem het leven niet al te ernstig. Til er niet aan, maar laat je erdoor optillen.

4.    Onlangs hoorde ik mezelf tegen iemand zeggen: Als er een zelfmoordpil bestond die je zonder al te veel hindernissen bij de apotheker kon verkrijgen, dan had ik die ongetwijfeld al genomen. Het is met andere woorden misschien goed dat het zelfmoordenaars niet al te gemakkelijk wordt gemaakt.

5.    Ik ben blij te leven in een land met een goede euthanasiewetgeving. Ik weet dat er nog altijd veel tegenstanders zijn, en ik ken hun argumenten, maar in alle eerlijkheid: ik begrijp ze niet goed. Soms heb ik de indruk dat de tegenstanders de dood willen ontkennen, dat zij onvoldoende de onvermijdelijkheid van de dood beseffen.

6.    De eerste zelfmoordenaar die ik kende was een vriend van mijn broer. Hij was vooraan in de twintig toen hij met een overdosis pillen aan zijn leven een eind probeerde te maken. Hij werd gevonden, zijn maag werd leeggepompt, maar hij was blind. Dat voorbeeld is voor mij altijd schrikwekkend geweest. De broer van iemand anders die ik vaagweg kende probeerde zichzelf dood te schieten. De poging mislukte, maar hij moest met zware hersensletsels verder leven. Ook andere horrorverhalen hoor je: mensen die op rails gaan liggen, overreden worden door een trein, het overleven maar wel hun beide benen kwijt zijn.

7.    Ik denk dat wie zelfmoord pleegt in een toestand van bewustzijnsvernauwing verkeert waarbij niet meer ten volle wordt beseft wat je doet, en vooral wat je anderen aandoet. Mensen die zwaar verliefd zijn ervaren een gelijkaardige bewustzijnsvernauwing. In zekere zin zijn mensen niet meer helemaal toerekeningsvatbaar. Moet je hen dan opsluiten? Nee, maar het is misschien geen gek idee om ze even in de gaten te houden. Ik denk hierbij aan de piloot die een vliegtuig vol met passagiers meenam in zijn zelfgekozen dood.

8.    Er zijn mensen die verlangen naar onsterfelijkheid. Wat hen betreft kan het leven niet lang genoeg duren. Ook de dood beschouwen ze als een detail. Het is een kaap die genomen moet worden. Daarna kabbelt het leven gewoon verder, voor eeuwig. Die gedachte moet voor zelfmoordenaars een foltering zijn. Voor mij is ze dat in alle eerlijkheid ook.

9.    Ik denk dat we allemaal wat zachter en liever zouden moeten zijn voor elkaar, en minder hoge eisen zouden moeten stellen aan elkaar en aan onszelf.

10.     Kies voor het mooie, het goede, het warme, want het bestaat, ook wanneer je het even niet beseft.

En tot slot: Terwijl ik dit tik, hou ik de klok in de gaten want ik moet straks mijn kleinkinderen afhalen aan school. En ik denk: jij, domme kloot, Joost, dat geluk zul je nooit kennen, dat eenvoudige, zuivere geluk heb je jezelf ontzegd.