VUmc poŽzieprijs 2015

Winnaar VUMC poëzieprijs 2015 bekend

 

De VUMC poëzieprijs is dit jaar gewonnen door Gerard van Hameren met het gedicht Tuinman
 

Van tuinman Anne
die het kerkhof verzorgt
hoeven de doden niet zo diep
en ook niet tussen planken

liever vlak onder de grond
met krokussen en blauwe druifjes
rondom de ogen
een narcissenbol in de mond

heeft ooit een dame uit de kist gehaald
(Madam van Dam)
en  met een pompoenpit tussen haar billen
het fiere achterwerk omhoog
opnieuw ter aarde besteld

de zonnebloemen werden hoog dat jaar
rapen en pompoenen kolossaal

pas laat in de nazomer werd het iets koeler
 
 
De tweede prijs werd gewonnen door Martin Carette
 
 
tips ter preventie van finale verwarring

misschien moeten we beter opletten, misschien moeten we
minder selfies gaan maken, moeten we opener oren kweken,
voor de lichte regens misschien, die vallen als de door muren
gedempte stemmen van zacht aanlopende vuren, meer oog

voor de pen van een kind dat een naam probeert of een pop,
een prins, voor het hoofd dat uit zijn linkerschouder groeit,
voor de tongpunt moeizaam tussen lippen die nog moeten
leren wat smaak is, die nog te weinig zout hebben geproefd

misschien had ook ik beter op moeten letten, toen de vroege
voerman tongklakkend paard en kar door mijn melkdromen
dreef en beter moeten letten misschien op de opgewonden
verhalen over mensen van de mussen onder de dakpannen,

misschien had ik harder moeten luisteren hoe de zon honing
vergaarde, beter naar de blanco stem van de moeder, die me
zingend berispte, accurater met dieplood de blik van de vader
moeten peilen, de kleurschakeringen in zijn oogwitte woede

langzamer af moeten tasten. nu nog zou ik het weten, alles
ritmisch voor me uit kunnen zeggen, als gedichten, en voelen
hoe men elkaar veelbetekenend aankijkt, als was ik een kind.
laat ze selfies nemen, laat ze maar zeggen, zij letten niet op.
 
De derde prijs was ex equo voor Jan Huizing
 
Schubert
 
De man stond in de dakgoot
Het was koopavond
De mensen beneden
Hadden hem eerst niet gezien
En toen wel
De brandweer kwam en de politie
De man riep om een psycholoog
Maar de politie had zo snel
Geen telefoonnummers
Uit de omstanders
Meldde zich een vrouw
Ze zei dat ze ervaring had
Ze kreeg de megafoon
En begon te zingen
 
Leise flehen meine Lieder
Durch die Nacht zu dir
In den stillen Hain hernieder
Liebchen komm zu mir
 
 
 
en Rik Dereeper
 
 
Kroniek


Jaar één beschrijft hun samenzijn. Als knappe knarren.
Hij verliest nog trager haar en tanden dan verstand.
Zij legt hem soms iets uit, zo over knusse taalerecties
(kus, kust, kunst) hoewel zijn voortplantingsgarantie

reeds verstreken is. De hare evenzeer: het geile krijsen
heeft zij aan de meeuwen uitbesteed. Het tweede jaar
gaat over oude voeten, hoe ze koude kwallen worden,
hoe synchroon zijn teennagels en hersenen verkalken.

Derde jaar. Zij pakt zijn beenderen bijeen, versleept ze
naar een lage strandstoel en noteert het. Eeuwig leven
zal hij zeker, weliswaar in almaar meer herinneringen
minder. Zoals taal die krimpt (sterven, erven, even),

zo bestaat het laatste jaar uit stapjes door nat zand.
Zij nadert wel de branding, maar de einder blijft er
op dezelfde afstand - als het dagboek in haar handtas
waarin staat wat was, wat golven hebben uitgewist.

 
 
De overige 6 gedichten die tot de beste tien behoorden zijn in willekeurige volgorde
 
Op de melodie van Munch


De Schreeuw, nooit in het echt gezien. Geen
van vier. Ook voor die ene litho hoefde
je je oren niet te sluiten. De kleuren kronkelen
spatten, kreunen doof op tablet of papier.

Wat zie je? Eén schreeuw? De middelste
van vele? Het landschap schreeuwt
om wat het is, getuige.

Zoiets als de lege kamer, voorportaal. Mevrouw W.
in haar kuiprolstoel naast het hoge bed van hout
schreeuwt zorg van haar af. Haar huid barst
open, bij elke aanraking. Op borst en schoot
koffie en ontbijt van twee uur oud. Knuffeldier
in kromgetrokken handen. De luier vol.

Hoe zij rilt van de ijskoude wakken
in haar hoofd, schreeuwt en wijst naar de schaduwen
in de hoek. Daar in steriel wit bewegen beessies,
wenken vorige bewoners. Vroeger legde ze kinderen
sommetjes uit of wanneer een werkwoord eindigt
op een t. Jaren waarin ze spaarzaam wachtte op later,
haar uithuizige man.

Bind haar middel vast anders dondert ze eruit. Draai
haar naar het raam, vogeltjes kijken maakt rustig. Wijffie
je hebt weer niks gegeten.

Getuig, hoor het beweeglijk schreeuwen in de lege kamer,
het schreeuwen in de kuiprolstoel, ja het schreeuwend
wijzen naar de schaduwen en hoe op hun beurt
de wanden van de kamer, de kuiprolstoel, het hoge bed van
hout, de knuffel, de vorigen en de beessies, steriel donker
meetrillen meeschreeuwen in boos oranje, in rode oker.

Wie begon?  

Munch, de kamer wacht leeg, de kamer rolt, kronkelt, smeekt,
verlangt – omdat hij niet anders kan – in alle kleuren
op de volgende die onomkeerbaar ook komt, gaat.


Eric de Rooij
 
 
 
achter de rug van de man in het wit
lijkt het licht nog winter
bomen steken hun takken omhoog
kraaien vliegen af en aan

de voorkant van de man in het wit
deelt mijn vader in verraderlijke cellen
van longen tot merg misschien
morgen moeten we weer

op de terugweg die de heenweg niet is
vertelt mijn vader een vriend voor zover nog iets
dan meteen en dat hij al asperges at, hoe dik
ze zijn, hoe duur dit jaar, hij overweegt
ook niets

achter hem in mijn rode jas
probeer ik sms’jes
probeer ik iets
te sturen

Ernie Bossmann
 
 
Als ik eerder doodga dan jij

als ik eerder doodga dan jij
al die pijn
draag me dan
niet als een steen aan een touw om je nek
je zou je verdrinken in tranen
niemand zou dat verwoestende zinken
dan nog kunnen keren
en niet als een woedende vlam
niemand zou zich daaraan willen branden
maar als een onmisbaar sieraad
licht van gewicht en helder van kleur
zoals je mij leerde te stralen
zal ik je blijven dragen
als jij eerder doodgaat dan ik

Jan Nassy
 
 
 
Als de tijd

Als de tijd komt,
hou me niet tegen.

Sluit de deuren.
Vergrendel de ramen.
Maak de kamer
dokter - vrij,
alleen wij twee.

Hang alle slangetjes
aan de kapstok
van de verstofte tijd.
Houd de dodehoekspiegel
van ons leven
voor mijn pruttelende mond.

Kleed me uit,
zoals alleen jij dat kunt.
Leg je hand,
een afdruk van warmte,
op mijn koelend lijf.

Bewaar geen schilfer,
geen haartje,
geen relikwie.
Leg mijn uitdovende adem
zachtjes neer;
een stervende melodie
in een orkest van stilte.

Schud geen laatste zin,
uit het gesloten boek.
Laat de woorden vluchten,
haal het leesplankje leeg.

Laat mijn gedachten, mijn gevoelens,
terugebben als een laatste golf
tot het water een rimpelloze
vlakte van herinneringen wordt.


Wilfried Vanneste
 
 
Moederziel

moeizame ademhaling
in halfslaap
is zo’n geluid
dat pas opvalt
als het wegvalt

dus dat is het verschil
het is een zucht minder
een seconde later
het is even omdraaien
wat zeggen, weer kijken

ik sta naast jouw bed
in blauwe pyjama, op blote voeten
een zuster zegt: bel je zus
ik knik langzaam naar de grond

die nog steeds mijn voeten draagt


Jolanda Oudijk
 
 
 
Kerkhof in December

Niets is zo triest
als een Vlaams kerkhof
in december.
De chrysanten halfstok
in een verlate najaarszon.

De urnen,
mensen tot stof
en as teruggekeerd,
lopen over.

weemoedig loop ik
op het oude kerkhof,
plattegrond van mijn
gestorven jeugd.

Ik lees de namen.
Klasgenoten van
decennia geleden
verrijzen tot een kindgezicht.

Reünie van voorbije levens.
“Rust zacht, lieve ouders,
zo gemist.”
Wie waren ze geworden?

Wilfried Vanneste